Use cases

Voorschrijven bij een zorgproces
Voorschrijven zonder visuele integratie
Alerts toesturen en updaten
Applicatie openen vanuit HiX
Applicatie openen vanuit patiëntenportaal
Administratieve informatie bij transmuraal werkproces ophalen
Status van een transmuraal werkproces updaten

Use cases

Voorschrijven bij een zorgproces
Voorschrijven zonder visuele integratie
Alerts toesturen en updaten
Applicatie openen vanuit HiX
Applicatie openen vanuit patiëntenportaal
Administratieve informatie bij transmuraal werkproces ophalen
Status van een transmuraal werkproces updaten

Zorgplatform APIs zijn generiek opgezet om zo los of in combinatie ingezet te worden en daarmee een diverse use cases te ondersteunen. De Zorgplatform APIs worden momenteel al ingezet voor bijvoorbeeld de volgende use cases.

Voorschrijven bij een zorgproces

Relaties met andere use cases en protocollen

Voorschrijven bij een zorgproces

Relaties met andere use cases en protocollen

Een zorgverlener schrijft een activiteit van een vertrouwde digitale zorgapplicatie uit de in-house store voor aan de patiënt. Een workflow wordt gestart op het moment van voorschrijven, waarbij het EPD van de zorgverlener een workflow initieert bij Zorgplatform. De zorgverlener ziet de digitale zorgapplicatie visueel geïntegreerd, is middels Single-Sign-On automatisch ingelogd, en ziet de juiste patiënt op de context.

De applicatie kan al dan niet namens de zorgverlener de workflow ophalen. Een workflow bestaat uit een of meerdere Task resources. De Task resource wordt gebruikt om de workflow in te zien, de workflow status te updaten of om de referenties van afgesproken resources op te halen. Een partnerapplicatie kan bijvoorbeeld de Patient resource op als het voor het zorgproces noodzakelijk is dat de partnerapplicatie aanvullende patiëntgegevens ontvangt. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn voor het vooraf invullen van patiëntgegevens bij het maken van een account voor een patiënt. De partnerapplicatie haalt dan de Patient resource op bij de Zorgplatform API.

De applicatie vult de beschikbare gegevens voor in het aanmeldingsformulier en de zorgverlener maakt applicatiespecifieke keuzes bij de aanmelding. De digitale zorgapplicatie is nu voorgeschreven voor de patiënt en de patiënt is aangemeld bij de applicatie.

Relaties met andere use cases en protocollen

Een partnerapplicatie kan het Single-Sign-On protocol gebruiken als onderdeel van het voorschrijfproces. Het workflow-id wordt dan gedeeld met de betrokken partijen in het security token. De Task en de Patient resource worden opgehaald conform het Zorgplatform Resources protocol. Authenticatie vindt plaats conform het Service authenticatie protocol.

Voorschrijven zonder visuele integratie

Voorschrijven zonder visuele integratie

Voor sommige aanmeldingsscenario's, zoals bulkonboarding, kan de zorgverlener een activiteit van een vertrouwde digitale zorgapplicatie voorschrijven zonder visuele integratie. Een workflow wordt gestart en geïnitieerd bij Zorgplatform. Zorgplatform notificeert de digitale zorgapplicatie over de workflow (FHIR Task resource). De applicatie kan dan de workflow en eventueel aanvullende patiëntgegevens ophalen om de aanmelding te voltooien.

Alerts toesturen en updaten

Relaties met andere use cases en protocollen

Alerts toesturen en updaten

Relaties met andere use cases en protocollen

Een partnerapplicatie kan een alert aanmaken, als het voor het zorgproces noodzakelijk is dat de zorgverlener alerts ontvangt in het primaire zorginformatiesysteem, waarop een zorgverlener actie kan ondernemen. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn om de zorgverlener te attenderen op een thuismeting van een patiënt, die onder of boven de drempelwaarden uitkomt. De partnerapplicatie kan een alert sturen in het kader van een bestaande workflow. Er wordt géén specifieke zorgverlener toegewezen door de partnerapplicatie. In de zorginstelling wordt op basis van inrichting bepaald welke zorgverlener de alert ontvangt op de werklijst. De applicatie stuurt de alert naar de Home monitoring API en gebruikt het Service authenticatie protocol om toegang te krijgen tot de gegevensdienst.

De zorgverlener kan per alert op de werklijst de applicatie visueel geïntegreerd openen om de informatie van de patiënt te bekijken. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als een zorgverlener naar aanleiding van een alert heeft gekeken naar een abnormale thuismeting van een patiënt, en heeft geconcludeerd dat er geen vervolgstappen nodig zijn. Visuele integratie vindt plaats op basis van de workflow, waarmee de gebruiker in de partnerapplicatie alle of sommige alerts kan af melden (updaten) bij de Home monitoring API. Alerts worden door de partnerapplicatie per stuk afgemeld als een wijziging in het primaire informatiesysteem van de zorgverlener bekend moet zijn. In de zorginstelling wordt de alert afgehandeld.

Relaties met andere use cases en protocollen

Voor het toesturen of updaten van alerts moet een workflow zijn geïnitieerd. Het ID van de workflow dient dan bij de partnerapplicatie bekend te zijn. Authenticatie vindt plaats conform het Service authenticatie protocol. Dit kan een HealthCare Professional (HCP) token zijn of een Application Token. Wat voor type token wordt gebruikt, is afhankelijk van of de partnerapplicatie op dat moment wordt aangestuurd door een Zorgverlener, of zelfstandig handelt.

Applicatie openen vanuit HiX

Applicatie openen vanuit HiX

Vanuit de in-house store of vanuit de patiëntcontext kan de zorgverlener de applicatie voor een reeds geregistreerde patiënt openen. De applicatie wordt visueel geïntegreerd en er wordt gebruik gemaakt van het Single-Sign-On protocol om de zorgverlener in te loggen en de patiënt op de context te zetten in de applicatie. De zorgverlener kan zo bijvoorbeeld een overzicht zien van de activiteiten van de patiënt in de applicatie. De zorgverlener sluit de visuele integratie weer af zodra de proactieve monitoring geïnitieerd door de zorgverlener is afgerond.

Applicatie openen vanuit patiëntenportaal

Applicatie openen vanuit patiëntenportaal

Voor sommige aanmeldingsscenario's, zoals bulkonboarding, kan de zorgverlener een activiteit van een vertrouwde digitale zorgapplicatie voorschrijven zonder visuele integratie. Een workflow wordt gestart en geïnitieerd bij Zorgplatform. Zorgplatform notificeert de digitale zorgapplicatie over de workflow (FHIR Task resource). De applicatie kan dan de workflow en eventueel aanvullende patiëntgegevens ophalen om de aanmelding te voltooien.

Administratieve informatie bij transmuraal werkproces ophalen

Relaties met andere use cases of protocollen

Administratieve informatie bij transmuraal werkproces ophalen

Relaties met andere use cases of protocollen

Een resource wordt opgehaald, aangemaakt, of geüpdatet door de partnerapplicatie, al dan niet namens een zorgverlener. Per use case met een partnerapplicatie wordt afgestemd welke resources opgehaald, aangemaakt of geüpdatet mogen worden. Dataminimalisatie is hierbij altijd het uitgangspunt. In het kader van een transmuraal werkproces zoals een verwijzing vanuit het EPD van de zorgverlener naar een makelaar of ontvangende zorginstelling kan de volgende informatie opgehaald worden: Patiënt, Aanvragend zorgverlener, Zorgverzekeraar en aanvullende (semi-gestructureerde) informatie in een document (PDF).

Relaties met andere use cases of protocollen

In sommige use cases moet een workflow zijn geïnitieerd, voordat een partnerapplicatie een resource kan ophalen, toesturen of updaten. Het ID van de workflow dient dan bij de partnerapplicatie bekend te zijn. Bij sommige resources moet ook het ID van de resource vooraf bekend zijn bij de partnerapplicatie. Dit ID kan bijvoorbeeld gedeeld worden met de betrokken partijen met een referentie in de Task resource.

Er moet een security token gebruikt worden. Dit kan een HealthCare Professional (HCP) token zijn of een Application Token en het opvragen hiervan gebeurt volgens het Zorgplatform Service authenticatie protocol. Wat voor type token wordt gebruikt, is afhankelijk van of de partnerapplicatie op dat moment wordt aangestuurd door een Zorgverlener, of zelfstandig handelt.

Status van een transmuraal werkproces updaten

Relaties met andere use cases of protocollen

Status van een transmuraal werkproces updaten

Relaties met andere use cases of protocollen

Wanneer een ontvangende partij van een werkproces (derde partij), zoals een verwijzing, de vervolgstap met de patiënt accepteert of weigert, kan er een update van het werkproces gedaan worden. Ook kan de derde partij het werkproces voltooien na afronding van de taken. De derde partij updatet de FHIR Task resource met een nieuwe status. Zorgplatform verwerkt de update en notificeert de initiërende partij van het werkproces (XIS) hierover.

Ook kan het EPD het werkproces voltooien. In dat geval wijzigt het XIS de status en ontvangt de derde partij een notificatie over de FHIR Task resource.

Relaties met andere use cases of protocollen

Er moet een workflow bestaan tussen de initiërende partij en ontvangende partij voor een bepaald werkproces. De workflow dient bij de partnerapplicatie bekend te zijn. Er moet een security token gebruikt worden. Dit kan een HealthCare Professional (HCP) token zijn of een Application Token en het opvragen hiervan gebeurt volgens het Zorgplatform Service authenticatie protocol. Wat voor type token wordt gebruikt, is afhankelijk van of de partnerapplicatie op dat moment wordt aangestuurd door een Zorgverlener, of zelfstandig handelt.